Acht lessen uit het Tibetaanse dodenboek

Betekenisvolle lessen voor ons leven

In het Tibetaanse dodenboek is een groot aantal lessen te vinden die van direct belang zijn voor de kwaliteit van ons leven. Ik ben al lang de mening toegedaan dat het Tibetaanse dodenboek daar ook voor bedoeld is. Het is m.i. het doel van het Tibetaanse dodenboek om ons leven te verrijken. Die lessen zijn echter pas zinvol als we er eerst overtuigd van zijn, zeker weten dat ons leven tijdelijk is, ons leven eindig is. In die zin is het Tibetaanse dodenboek te beschouwen als een spiegel voor ons leven. Zo is het mijn inziens ook bedoeld.

Hieronder zijn een achttal van die lessen te vinden. Er zijn natuurlijk nog meer lessen te trekken. Mocht de lezer daar ideeën over hebben, dan gaarne een reactie via contact.

Seb Ebbens

De acht lessen

Hieronder zijn de acht lessen te vinden:

Les 1. Vertrouwd raken met onze geest.
Het is volgens het Tibetaanse dodenboek belangrijk om vertrouwd te raken met onze geest. Onze geest stuurt ons namelijk in ons dagelijkse leven via onze opvattingen, ons denken, onze gevoelens, onze emoties, onze waarnemingen, en onze ervaringen. Dat zijn allemaal aspecten van onze geest. Als we daarmee vertrouwd zijn, kunnen we ze zo inzetten dat we onszelf en anderen gelukkiger maken. Als we er niet vertrouwd mee zijn, weten we niet wat mogelijke effecten zijn.
Een tweede reden waarom het belangrijk is vertrouwd te raken met onze geest is dat we tijdens en na ons sterven alleen onze geest hebben waar we het mee moeten doen. Ons lichaam is dan immers uiteen gevallen. De veronderstelling in het Tibetaans boeddhisme is dat, als ons lichaam uit elkaar is gevallen, de geest doorgaat. Ook daarom is het belangrijk om met onze geest vertrouwd te raken. Over het vertrouwd raken met onze geest is meer te vinden in de hoofdstukken 1, 2 en 4 van ‘Op de golven van geboorte en dood’, in de hoofdstukken 2 t/m 4 van ‘Vriendelijk en vol mededogen’, en in de hoofdstukken 8 en 9 van ‘Stralend in de Wereld’. 

Onze geest heeft lang niet altijd onze aandacht. Wel zorgen we meestal goed voor ons lichaam maar we doen dat niet voor onze geest. Zo douchen we elke dag, poetsen onze tanden, eten goed, en gaan naar de tandarts of de dokter als er iets aan de hand is. Aan onze geest besteden we minder aandacht: we nemen bijvoorbeeld niet elke dag de tijd om te kijken hoe onze geest er die dag voor staat. Als we met onze geest vertrouwd willen raken, zouden we dat wel moeten doen. Vrijwel alle tradities in het Tibetaans boeddhisme besteden daar uitgebreid aandacht aan. Zij kennen ook allemaal een opbouw in het vertrouwd raken met onze geest, vaak via een pad van meditatie. De eerste stap in die opbouw is dat we moeten erkennen we dat we een geest hebben. Als we niet erkennen dat we een geest hebben, zullen we altijd anderen of iets anders verantwoordelijk maken voor wat ons overkomt. We zeggen dan dingen als ‘dat mij weer mocht overkomen’; ‘waarom ben ik het altijd die dit soort dingen meemaakt’; of ‘de wereld is tegen mij’. Door dat soort dingen te zeggen zijn we zelf niet verantwoordelijk voor wat we mee maken. Als we beseffen dat we een geest hebben, weten we ook hoe we mee verantwoordelijk zijn voor wat ons overkomt. Dan weten we beter wat we kunnen doen om ons eigen geluk, onze eigen vrijheid te creëren.  Uiteindelijk is het belangrijk om vertrouwd te raken met onze geest, en op termijn vertrouwd te raken met de essentie van onze geest Zie daarvoor de 5e les.

Les 2. Onze gewoontepatronen verzachten, lichter maken.
Het is belangrijk om in het licht van ons sterven onze gewoontepatronen lichter te maken. In het Tibetaanse dodenboek is de eerste bardo de natuurlijke bardo van leven. Het woord ‘natuurlijk’ slaat op de ‘vanzelfsprekendheid’ van onze gewoontepatronen. Als we bijvoorbeeld een zware levenshouding hebben met zware gewoontepatronen zoals de dingen somber inzien, zal ons leven ons zwaar vallen. Maar ook ons sterven zal ons dan waarschijnlijk zwaar vallen. Als onze gewoontepatronen lichter zijn, is ook ons leven lichter en zal ons sterven ons waarschijnlijk minder zwaar vallen. Zie ook les 6.

In het levensrad (een tekst van de Boeddha) wordt behoorlijk nauwkeurig beschreven hoe wij op basis van onze gewoontepatronen ons eigen lijden en gedoe creëren en wat daarvan de consequenties zijn. Volgens de theorie van het levensrad komen we, afhankelijk van onze psychologische gesteldheid, op basis van die gewoontepatronen in één of meer van de zes rijken. In elk van de rijken staat ons lijden en gedoe op een specifieke manier centraal. Ook wordt in het levensrad beschreven hoe we onszelf kunnen trainen om met dat lijden en gedoe in de verschillende rijken lichter om te gaan of er zelfs helemaal uit te stappen.
In het levensrad wordt gesteld dat er twee fundamentele oorzaken zijn voor dat lijden en gedoe. De eerste oorzaak is dat we voortdurend onze gewoontepatronen honoreren en daarmee versterken. Die gewoontepatronen wordt ook wel ‘karma’ genoemd.
De tweede oorzaak is dat we steeds onze belemmerende emoties en opvattingen inzetten, zoals boosheid, jaloezie, gehechtheid, onwetendheid of een gevoel van te kort schieten. Deze belemmerende emoties worden ‘kleshas’ genoemd. Deze belemmerende emoties hebben als oorzaak willen vasthouden aan wat aangenaam is, willen afwijzen wat onaangenaam is, of onwetend of onverschillig zijn over wat zich aan ons voordoet.
Ditzelfde gebeurt als we sterven. Als we ook daar ons karma en onze kleshas honoreren, hebben we veel minder invloed op ons stervensproces en minder invloed op waar we uiteindelijk zullen reïncarneren. Zie ook les 3.

Les 3. De vier bardos in ook ons dagelijkse leven, met name de tussenfase.
De vier bardos of overgangen in het Tibetaanse dodenboek gaan over de bardo van ons leven, die van ons sterven, die van de tussenfase kort na ons sterven, en de bardo waarin we op zoek gaan naar een nieuwe wedergeboorte. Deze bardos of overgangen vinden ook plaats in ons dagelijks leven. We ondernemen een specifieke activiteit (‘de bardo van het leven’), die activiteit stopt (‘de bardo van het sterven’), we hangen even tussen die activiteit en een nieuwe activiteit die meestal nog moet ontstaan (‘de tussenfase’), en we beginnen een nieuwe activiteit (‘de bardo van de wedergeboorte’). Met name de tussenfase blijkt bijzonder belangrijk.
In die tussenfase is namelijk de oude situatie gestopt terwijl we nog niet weten hoe onze nieuwe situatie eruit zal zien. We weten dus niet wat er ons te wachten staat. In die tussenfase kunnen we oefenen met ‘niet weten en niet hoeven te weten’. Die tussenfase geeft ons daarmee de mogelijkheid om ons even te bevrijden van het inzetten van al onze gewoontepatronen en even fris naar situaties te kijken. We hebben dan de mogelijkheid om ons dan van ons ‘karma’ en ‘klesha’ te bevrijden. Zie les 2.

Naarmate we meer ervaring hebben opgedaan met die tussenfase tijdens ons leven, helpt dat ons ook kort na ons sterven. Daar geeft het ons de mogelijkheid om ons te bevrijden van onze cyclus van geboorte en wedergeboorte. In de hoofdstukken 1 en 7 en bij beoefening 12 van mijn boek ‘Op de golven van geboorte en dood’ wordt uitgebreid aan dit denken aandacht besteed.

Les 4. Omgaan met de intensiteit van het bestaan.
In het Tibetaanse dodenboek wordt regelmatig geschreven hoe intensief onze reis is tijdens en na ons sterven. We zijn daar immers weerloos omdat we geen lichaam meer hebben om ons te beschermen. Als we ons ongelukkig voelen, kunnen we niet meer even douchen, kunnen we niet even een sandwich maken of een borrel inschenken. Als we na onze laatste adem die werkelijkheid direct ontmoeten, moeten we er wel mee om kunnen gaan. We doen dat als we die nemen zoals die zich aan ons voordoet. We hebben daarin geen keuzes. Omgaan met de directe werkelijkheid in ons leven kan ons direct op die reis voorbereiden. Denk aan een vrouw die zwanger is. Ook die heeft geen keuze: het is zeker dat ze het kind ter wereld zal brengen. In mijn boek ‘Op de golven van geboorte en dood’wordt hier regelmatig aandacht aan besteed.

Les 5. Verbinding maken met het natuurlijke heldere gewaarzijn.
In het Tibetaanse dodenboek is er veel tijd ingeruimd voor het natuurlijke heldere gewaarzijn. Dat is een inherente kwaliteit die we bezitten en die te voorschijn komt als we ons vol openen voor wat zich in ons en aan ons voordoet. Dat natuurlijke heldere gewaarzijn bezit vier kwaliteiten. Het kent de kwaliteiten van openheid (1), van weten dat we open zijn (2), van helderheid over wat er moet gebeuren (3); en dat vanzelfsprekend vormgeven met mededogen (4). Als we in verbinding staan met het natuurlijke, heldere gewaarzijn, staan we in directe verbinding met wat zich in ons en aan ons voordoet, en zijn we bevrijd van ons lijden en gedoe. Deze kwaliteiten komen we vaak kort tegen in ons dagelijks leven. Dat herkennen en verder vormgeven is belangrijk in onze relatie tot ons sterven en daarna. Met name de beoefening van meditatie helpt ons om met dit natuurlijke heldere gewaarzijn verbinding te maken. Zie verder mijn boeken ‘Op de golven van geboorte en dood’, en het net verschenen boek ‘Vriendelijk en vol mededogen’.

Over de helderheid in het natuurlijke heldere gewaarzijn: de helderheid toont zich in de vorm van de vijf wijsheden. Zie het boek ‘Stralend in de wereld’. Zie ook de 8e les.

Les 6. Vriendelijk en meedogend voor onszelf en anderen.
We kunnen de verschillende lessen beter tot ons laten doordingen als we én vriendelijk en mededogend zijn voor onszelf, én vriendelijk en meedogend zijn voor anderen. Het is daarbij met name belangrijk om bij het vormgeven van ons mededogen een goede balans te vinden tussen aardig, meedogend zijn voor onszelf, en aardig, meedogend zijn voor anderen. Veel mensen vinden het moeilijk die balans vorm te geven. Ze vinden bijvoorbeeld dat ze niet goed genoeg zijn of niet genoeg te bieden hebben. Wel zijn ze vaak aardig voor anderen. Mijn ervaring is dat veel mensen zichzelf daarin te kort doen. Sommigen doen anderen te kort. Het boek ‘Vriendelijk en vol mededogen’ beschrijft hoe belangrijk het is om die balans te hebben, en biedt er ook oplossingen voor aan. Ik heb ook een kleiner boekje geschreven waarin ik hier aandacht aan besteed: ‘Ontwikkelen van mededogen, de 59 spreuken van Atisha’.

Daarnaast is het bijzonder belangrijk om meedogend te zijn als we in verbinding willen komen met ons natuurlijke heldere gewaarzijn. We kunnen ons alleen daarmee verbinden als we onszelf en de situatie om ons heen vol geaccepteerd hebben. Aan dit onderwerp besteden alle drie boeken aandacht.

Les 7. De beoefening van Tonglen, en de beoefening van de innerlijke en behulpzame vriend(in).
In alle drie de boeken spelen de beoefening van meditatie (zie les 1 en 5) en de beoefeningen van ‘tonglen’ en ‘de innerlijke en behulpzame vriend(in)’ een belangrijke rol. Deze drie beoefeningen brengen ons in de positie waarin we leren te accepteren wat zich in ons en aan ons voordoet.
De beoefening van meditatie leert ons vertrouwd te raken met onze eigen geest. Zie les 1.
De beoefening van tonglen leert ons te openen voor datgene wat een vorm van weerstand oproept, bijvoorbeeld het lijden en gedoe van iemand anders.
De beoefening van de innerlijke vriend(in) leert ons volledig te accepteren voor wie we zijn. De direct daaraan gekoppelde beoefening van de behulpzame vriend(in) leert ons onszelf vol te openen voor anderen.
In de boeken ‘Op de golven van geboorte en dood’ en ‘Vriendelijk en vol mededogen’ zijn deze beoefeningen daarom opgenomen. In de herziene versie van ‘Stralend in de wereld’ zal dat ook gebeuren (wordt aan gewerkt).

Les 8. De vijf wijsheden vormgeven, omgaan met de verscheidenheid aan verschijnselen die zich in ons en aan ons voordoen.
De vijf wijsheden in het Tibetaans boeddhisme zijn volgens de Tibetanen dekkend als beschrijving voor wat zich in ons en aan ons aan verscheidenheid voordoet. Dat kan gaan over omgang met mensen, dat kan gaan over de omgang met een verscheidenheid aan verschijnselen. In het boek ‘Stralend in de wereld’ wordt vooral de psychologie van de vijf wijsheden beschreven. Daar gaat het met name over de omgang met onszelf en de anderen, en over de omgang met de verscheidenheid aan emoties die we bezitten.
In het Tibetaanse dodenboek gaat het met name over de omgang met de grote verscheidenheid aan verschijnselen die zich daar voordoen. Dat is een belangrijk en integraal onderdeel van de heldere bardo van dharmata, de 3e bardo. Als we met die verschijnselen kunnen omgaan en die verschijnselen kunnen verbinden aan ons natuurlijke heldere gewaarzijn, zijn we bevrijd en stopt de cyclus van leven en sterven. Zie ook les 5.

Het programma van de vijf wijsheden wordt ‘het maitri programma’ genoemd. Maitri (Sanskriet) betekent vriendelijkheid. In die zin sluit dit programma direct aan bij de 6e les over vriendelijkheid en mededogen.